2de Graads Nederlands

LERARENOPLEIDING NEDERLANDS

Programma

De lerarenopleiding Nederlands van de AF leidt studenten op tot startbekwame HBO-professionals met het competentieprofiel 2e graads leraar Nederlands. Het ERK geldt als richtsnoer bij de ijking van de taalvaardigheid bij de 2e graads lerarenopleiding Nederlands.

De 2e graads lerarenopleiding Nederlands streeft naar C1-niveau bij alle vier de vaardigheden. Aan het eind van leerjaar 1 dient de student voor alle vaardigheden B2-niveau te hebben behaald. Aan het einde van de opleiding hebben de studenten het gestelde eindniveau behaald.

Het taalinhoudelijke deel van de 2e graads lerarenopleiding Nederlands is onderverdeeld in vier componenten: taalvaardigheid, didactiek, taalwetenschap/kennis van de taal en literatuur/cultuur. De taalinhoudelijke onderwijseenheden worden gedoceerd in de doeltaal.

Er wordt binnen de CV-lijn van de lerarenopleiding Nederlands gewerkt aan het creëren van een stevige kennis- en vaardigheidsbasis en het toepassen hiervan binnen de Antilliaanse context, door het volgen van onderwijseenheden als Het Nederlands binnen de Papiamentstalige context, Vreemde taal didactiek, Taalbeleid. In de hoofdfase heeft de CV-lijn voornamelijk een taalkennis verdiepende en taalkennis uitbreidende functie. De studenten moeten aan het einde van jaar 2 kennis en vaardigheden kunnen integreren met didactiek. Zij dienen in staat te zijn over deze integratie te reflecteren in de doeltaal.

In het eerste jaar werken de studenten aan het verhogen van hun kennis en vaardigheden, met behulp van gestructureerde opdrachten en de hogere jaren steeds meer zelfstandig en op basis van hun eigen inzichten. De studenten oefenen met de hiervoor genoemde activiteiten, hun eigen luistervaardigheid, leesvaardigheid, spreekvaardigheid en schrijfvaardigheid. De studenten doen verslag van hun activiteiten in hun taalportfolio, waarbij zij reflecteren op hun visie op onderwijs, op hun toekomstige rol als docent en op hun eigen competentieontwikkeling.

Daarnaast wordt in evenredige mate aandacht besteed aan het ontwikkelen en stimuleren van vakdidactische kennis met het oog op de praktijk in de klas. Bovendien wordt in de verschillende onderwijseenheden stilgestaan bij andere aspecten van taal, te weten spelling, grammatica, het gebruik van naslagwerken, zoals het Groene boekje, woordenboeken en diverse digitale bronnen. De studenten werken daarbij zo veel mogelijk zelfstandig. Naast het volgen van onderwijseenheden wonen de studenten ook lezingen bij in het Nederlands en bekijken ze Nederlandstalige films, televisieprogramma’s en toneelstukken. Tevens wordt van de studenten verwacht dat ze naar Nederlandstalige radioprogramma’s luisteren. Deze activiteiten zijn niet vrijblijvend. De opdrachten worden geïncorporeerd in de onderwijseenheden van taalvaardigheid in de vorm van concrete opdrachten, die met de student worden nabesproken. Bij al deze activiteiten kunnen de studenten hun eigen gedrag analyseren en bijsturen.

De studenten worden ook gestimuleerd om presentaties in het Nederlands te houden, geschreven stukken waar fouten in voorkomen te analyseren en zo veel mogelijk in hun dagelijks leven bewuster met het Nederlands bezig te zijn.

Bij de onderwijseenheid waar leesvaardigheid centraal staat, wordt tevens aandacht geschonken aan kennis van land en volk (van Nederland en van de Nederlandse Antillen).

Bij de component waarin literatuur centraal staat, wordt aandacht besteed aan zowel de eigen ontwikkeling van de student als aan het literatuuronderwijs dat hij in de toekomst zal verzorgen. In de opleiding volgen de studenten een intensief programma dat gericht is op vergroting van hun kennis van en inzicht in de literatuur, waaronder de jeugdliteratuur. Het lezen van boeken speelt hierin uiteraard een belangrijke rol, maar er wordt ook aandacht besteed aan film en theater.

De studenten doen in de hoofdfase een aantal taalonderzoeken in het veld. Naar aanleiding van hun bevindingen ontwikkelen de studenten een eigen visie met betrekking tot het taalonderwijs. Zij maken daarbij aanvullend lesmateriaal of lessenseries met de kerndoelen en eindtermen van het vak Nederlands als leidraad. Van belang is daarbij dat er een keuze wordt gemaakt voor het onderwijstype. De studenten moeten een presentatie houden over hun bevindingen.

In leerjaar 4 (afstudeerfase) is het aanbod vooral gekleurd door de mogelijkheid zich verder te verdiepen en te profileren op het gebied van de beroepsvorming.

Taalcomponenten lerarenopleiding Nederlands

Taalvaardigheid

  • § Leesvaardigheid (ook lexicale kennis)
  • § Luistervaardigheid
  • § Schrijfvaardigheid (grammatica, inclusief spelling)
  • § Spreekvaardigheid/Gespreksvaardigheid
  • § Taalportfolio

Didactiek

  • § Algemene didactiek
  • § Vakdidactiek
  • § Methode analyse
  • § Vakdidactiek en de wereld van ICT

 

Taalwetenschap/Kennis van de taal

  • § Algemene Taalkunde
    (Grammatica, Taalbeleid en Taalpolitiek)
  • § Taalkunde Nederlands
    (Fonetiek, uitspraak en fonologie)
  • § Theorie taalleren
  • § Taalonderzoek 

Literatuur / Cultuur

  • Literaire analyse
  • Literatuurgeschiedenis
  • Literaire benaderingen
  • Leesdossier
  • Caribistiek
  • Kennis van land en volk

 

Het studiemateriaal dat de 2e graads lerarenopleiding Nederlands gebruikt, is voor een groot deel identiek aan het materiaal dat op de 2e graads lerarenopleidingen in Nederland wordt gebruikt.

De 2e graads lerarenopleiding Nederlands heeft contacten met de Nederlandse Taalunie en houdt zich via die instelling op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van de taalverwerving van

het Nederlands. De taalcoördinator geeft de opgedane kennis door aan de ingezette docenten, die deze kennis incorporeren in het curriculum van de opleiding, zodat de studenten er kennis van kunnen nemen.

Binnen de vier componenten waaruit het taalspecifieke deel van de 2e graads lerarenopleiding Nederlands is opgebouwd, krijgen de studenten stof aangereikt die hen helpt adequaat in de praktijk te kunnen functioneren. Vooral bij de onderwijseenheden die gerelateerd zijn aan (vak)didactiek wordt de relatie gelegd tussen het taalspecifieke deel van de opleiding en de praktijk. Hierbij wordt de benadering van de dubbele bodem toegepast. Bijvoorbeeld lees- en luisterstrategieën die de studenten leren ten behoeve van hun eigen taalvaardigheid zijn min of meer dezelfde die ze ook aan hun leerlingen moeten leren. Daarbij worden steeds de nieuwste ontwikkelingen binnen het vakgebied (bijvoorbeeld taakgerichte aanpak binnen het talen­onderwijs) in ogenschouw genomen. De moderne, op de lokale scholen voor voortgezet onderwijs gehanteerde taalmethodes Nederlands (Op Nieuw Niveau, BV-Taal, Nieuw Nederlands) zijn daarbij een belangrijk instrument en hulpmiddel.  

In de propedeutische fase en in de hoofdfase wordt ruim aandacht besteed aan literatuur, te begin­nen met de jeugdliteratuur en literaire analyse (propedeutische fase), vervolgens literatuur­geschiedenis en literaire benaderingen (hoofdfase). Het leesdossier, dat in de propedeutische fase en hoofdfase een belangrijke rol speelt, kan als bindmiddel beschouwd worden tussen de literatuur­colleges. Het aanleggen van een leesdossier vergroot de leesvaardigheid (en algemene kennis) van de student. 

In de afstudeerfase doen de studenten naast hun stage praktijkgericht onderzoek ter afsluiting van hun studie.

De ontwikkeling van de beroepsvaardigheden spitst zich in de vakdidactiek toe op het leren onderwijzen van de taal.