2de Graads Engels

LERARENOPLEIDING ENGELS

De educatieve professional
De Curaçaose en Nederlandse maatschappij staan te springen om leraren. Er is op dit moment veel werkgelegenheid, met name voor de vakken Engels en Nederlands. Een lerarenopleiding biedt eigenlijk twee opleidingen: je leert een bepaald vak, bijvoorbeeld Engels, Nederlands of Spaans en je leert om dat vak te onderwijzen. Beide onderdelen vind je terug in het programma van onze lerarenopleiding.
Een leraar staat niet alleen maar voor de klas. Daarom leer je tijdens je opleiding niet alleen omgaan met leerlingen, maar ook met ouders, met teams en organisaties en met de omgeving waarin je komt te werken. Als leraar moet je in staat zijn meerdere rollen te vervullen: een pedagogische, een didactische, een organisatorische en een sociale rol.

Lerarenopleidingen, en dus ook de AF, richten zich daarom op het bijbrengen van zowel vakkennis als de beroepsvaardigheden. De AF maakt daarbij gebruik van het model van het ‘competentie gericht opleiden’ (cgo). Een competentie is een combinatie van (ook eerderverworven) kennis, vaardigheden en houding. Competentiegericht onderwijs is onderwijs dat gericht en ingericht is om studenten in staat te stellen voor hen relevante beroepscompetenties te vergaren. Om deze uitgangspunten te stroomlijnen, heeft de AF de inhoud van de opleiding verdeeld over vier leerlijnen:

1. de studieloopbaanbegeleidingslijn (SLB)

2. de I-lijn (projectlijn)

3. de wer-lijn

4. de conceptuele en vaardighedenleerlijn.

De conceptuele en vaardighedenlijn:

In de conceptuele en vaardighedenleerlijn, waarin de vakinhoudelijke component zeer belangrijk is, zijn modules ondergebracht die vooral betrekking hebben op de vergroting van de kennis van en vaardigheden in de doeltaal. De docent moet de grammatica kennen (=kennis) van die taal, hij moet de grammatica kunnen uitleggen zodat de leerlingen het begrijpen (=vaardigheden, didactiek) en hij moet daarbij een professionele houding (gedrag, competentie) aannemen.Niet alleen het vakinhoudelijk gedeelte maar ook de beroepsvormende component (de opleiding tot leraar) komt aan de orde in de cv-lijn met de vakken pedagogiek, psychologie, sociologie en didactiek

De wer-lijn:

In de wer-lijn, ook wel praktijklijn genoemd, is de beroepsvormende component van belang. De stages, waarin de student in de gelegenheid wordt gesteld verschillende competenties in de levensechte werksituatie te ontwikkelen, vallen onder de werlijn.

De I-lijn en de SLB lijn:

De I-lijn en studieloopbaanbegeleidingslijn zijn lijnen die de andere lijnen als het ware ondersteunen en verbinden.

SLB

Ter ondersteuning van de andere drie leerlijnen, worden binnen de studieloopbaanbegeleidingslijn “tools” aangereikt, die het studeren binnen het competentiegericht leren moeten vergemakkelijken. Deze lijn heeft tot taak de competenties die in de vakinhoudelijke en de beroepsvormende lijn worden aangeleerd te integreren tot één samenhangend geheel van competenties. Voor die competenties zijn de internationaal erkende SBL-competenties richtsnoer.

I-lijn

In de I-lijn wordt projectmatig gewerkt. De projecten kunnen op het gebied van de beroepsvorming liggen, op het gebied van de vakinhoud of op beide gebieden.

Engels – de opbouw van de vakinhoud

Binnen het vak Engels worden weer vijf lijnen onderscheiden:

1. een kennislijn (underpinning knowledge)

2. een vaardighedenlijn (reading skills, writing skills, speaking skills, listening skills).

3. een vakdidactieklijn

4. een literatuurlijn

5. een onderzoekslijn

 ad 1: de kennislijn

De kennislijn is op zijn beurt weer verdeeld over twee lijnen:

A. de ‘fundamentals’ lijn

In deze lijn wordt aandacht besteed aan grammatica, vocabulaire en vertalen

B. de ‘aspects’ lijn: hierin wordt aandacht besteed aan fonetiek, historische taalkunde, kennis van land en volk en taalkunde. Om organisatorische redenen worden ‘aspects’ en literatuur, die dus eigenlijk ieder tot een andere lijn behoren, door dezelfde docent gegeven

Bij de AF wordt kennis van en over de taal als zeer belangrijk gezien. Wij gaan ervan uit dat taaldocenten niet alleen vaardig moeten zijn in de doeltaal, maar ook kennis moeten hebben van en over die taal, zodat zij kunnen putten uit een breed register bij het uitleggen van de taal aan de leerlingen.

De vaardighedenlijn (=integrated skills)

De vaardighedenlijn neemt als richtsnoer de vaardigheidsniveaus die in het Europees Referentie Kader (ERK) genoemd worden. Er zijn zes niveaus: A1, A2, B1, B2, C1 en C2. A1 (beginnersniveau) is het laagste niveau en C2 (semi-moedertaalspreker) het hoogste. De vereiste niveaus voor docenten vreemde talen zijn:

voor lezen en luisteren: C1  

voor spreken en schrijven: C1

Om vast te stellen of de studenten deze niveaus gehaald hebben, maken wij gebruik van de Cambridge examens. Deze examens zijn gerelateerd aan de ERK niveaus:

Het Cambridge Advanced Exam toetst op B2 niveau.

Het Cambridge Proficiency Exam toetst op C1 niveau.

 

De vakdidactieklijn (=teaching languages)

In de vakdidactieklijn wordt aandacht besteed aan het onderwijzen van Engels.


De literatuurlijn

De literatuurlijn besteedt aandacht aan zowel de eigen ontwikkeling van de student als aan het literatuuronderwijs dat hij in de toekomst zal verzorgen.

a. de eigen ontwikkeling. Talendocenten behoren belezen te zijn en een goed inzicht te hebben in de literatuur. In de opleiding volgen de studenten een intensief programma dat gericht is op de vergroting van hun kennis van en inzicht in de literatuur. Het lezen van boeken speelt hierin uiteraard een belangrijke rol, maar er wordt ook aandacht besteed aan film en theater.

b. om de student voor te bereiden op het literatuuronderwijs dat hij zelf zal gaan verzorgen wordt ook aandacht besteed aan de jeugdliteratuur.

 

De onderzoekslijn (= research)

In de onderzoekslijn wordt de student voorbereid op het verrichten van praktisch en

toegepast taalonderzoek.

 

De beroepsvorming

Een lerarenopleiding heeft naast een vakinhoud, in dit geval de Engelse taal, ook een beroepsvormende inhoud. Ook in de beroepsvormende component zijn kennis- en vaardigheidselementen te ontdekken: de leraar heeft immers kennis nodig van en over zijn toekomstig beroep en de doelgroep waarmee hij gaat werken. Vakken als didactiek, sociologie, psychologie en pedagogiek, gericht op de leeftijdsgroep waarmee de aanstaande leraar gaat werken, komen aan de orde. Daarnaast besteedt de opleiding veel tijd aan het opdoen van ervaringen tijdens de stages. Deze ervaringen worden verwerkt tijdens reflectie- en intervisiebijeenkomsten. Al doende zal de student steeds meer vaardigheden verwerven. Als leidraad binnen de beroepsvormende component geldt de SBL competentiematrix.

De lerarenopleiding is dus in feite een ‘dubbele’ opleiding: je leert een vak (Engels) en je wordt opgeleid voor een beroep (leraar). De opleiding is intensief en vergt veel van de student.  

De competentiematrix:

1. interpersoonlijk competent

2. pedagogisch competent

3. vakinhoudelijk competent

4. organisatorisch competent

5. competent in het samenwerken met collega’s

6. competent in het samenwerken met de omgeving

7. competent in reflectieve ontwikkeling